Over kinderen die uitgesloten worden en wat een juf of meester kan doen om de dynamiek te veranderen.
Sommige kinderen doen zo hun best dat hun hele lijf er moe van wordt.
Ze proberen mee te zijn, mee te doen, erbij te horen.
En toch… worden ze niet gezien door hun klasgenoten.
Op dit moment zie ik weer heel wat sociogrammen die worden afgenomen in de scholen. Dit is een mooi instrument om de verhouding tussen kinderen in kaart te brengen.
X% van de klas zegt: “Ik vind hem niet zo leuk.”
En dat wordt dan aan het kind verteld vanuit eerlijkheid, vanuit beleid.
Maar voor dat kind voelt het als een mes in zijn borstkas.
Want niemand ziet hoeveel moeite hij doet om elke dag opnieuw te beginnen.
De onderste laag: het kind dat onzichtbaar hard werkt
Wat andere kinderen vaak zien:
- Hij is snel boos.
- Hij zit soms apart.
- Hij doet lastig als iets niet lukt.
Wat niemand ziet:
- De inspanning om mee te willen doen.
- De spanning in zijn lijf wanneer iets moeilijk is.
- Het duwtje dat hij zichzelf geeft om opnieuw te proberen.
- Het feit dat hij zichzelf soms een beetje verliest, omdat het teveel wordt.
Hij heeft geen “probleemgedrag”, hij heeft een probleem dat hij probeert op te lossen.
En dat onderscheid is gigantisch.
Hoe komt het dat andere kinderen hem niet ‘leuk’ vinden?
Kinderen kijken vaak aan de buitenkant:
- Hij roept.
- Hij stapt weg.
- Hij wordt boos.
Ze zien niet:
- het zenuwstelsel dat overprikkeld is,
- de angst om fouten te maken,
- de moeite om mee te komen,
- het verlangen om erbij te horen.
En kinderen zijn groepsdieren. Ze kiezen veiligheid.
Dus kiezen ze soms voor de makkelijke weg: erbij horen door iemand buiten te houden.
Het sociogram laat niet alleen een individu zien, maar ook de dynamiek in de groep.
Hoe kan een juf of meester de dynamiek keren?
Door kinderen te leren kijken naar de binnenkant.
Niet als een groot project, maar in kleine dagelijkse gewoontes.
Hier zijn 5 waardevolle manieren om dat concreet te maken in de klas.
1. Het kaartje: “Wat zie ik? Wat kan eronder zitten?”
Een eenvoudig schema dat wonderen doet.
Schrijf op het bord:
- Wat zie ik? (de buitenkant)
- Wat kan eronder zitten? (de binnenkant)
Voorbeeld:
“Ik zie dat hij wegloopt. Wat zou eronder kunnen zitten?”
– “Misschien voelde hij zich overspoeld.”
– “Misschien schaamde hij zich voor een fout.”
Kinderen leren zo: gedrag = een signaal, niet de waarheid.
2. De vulkaanmetafoor
Dit snappen kinderen meteen.
- De uitbarsting is wat je ziet (boosheid, roepen).
- De lava is wat je niet ziet (stress, angst, schaamte, overprikkeling).
Voorbeeldzin van de juf of meester:
“Ik zie een beetje lava bij hem. Wat denken jullie dat eronder borrelt?”
Het oordeel verdwijnt en nieuwsgierigheid komt in de plaats.
3. Groen – Oranje – Rood: de kleuren van je binnenkant
Hang drie simpele kaartjes in de klas:
- Groen: ik ben rustig
- Oranje: ik begin vol te lopen
- Rood: ik zit vol
Voorbeeld in de klas:
“Hij gaat even naar oranje. Dat is slim; zo voorkomt hij rood.”
De klas begrijpt nu waarom iemand even pauze neemt.
Het kind voelt: “Ik ben niet lastig. Ik zorg voor mezelf.”
4. De juf (of meester) benoemt haar eigen binnenkant
(modeling: de sterkste vorm van lesgeven)
Voorbeelden:
“Ik voelde dat mijn buik gespannen werd, dus ik adem even dieper.”
“Ik had net een oranje momentje.”
Wanneer een juf dit hardop zegt:
- normaliseert ze emoties,
- leert ze kinderen dat gevoelens oké zijn,
- toont ze hoe je zelfregulatie doet.
Kinderen leren door te kijken naar ons als volwassenen. Dit is goud waard.
5. Mini-hulpacties: kleine daden, grote impact
Leerkrachten overschatten soms wat ze moeten doen.
Eigenlijk zijn het de micro-acties in de groep die de grootste verschuiving maken:
- “Wie legt een blad klaar voor hem als hij terugkomt?”
- “Wie wil straks zeggen: ‘Fijn dat je er weer bij bent’?”
- “Wie helpt even met de eerste som?”
Voorbeeldzin:
“In onze klas helpen we iemand om weer aan te sluiten. Dat is wat een groep doet.”
Kinderen leren zo zorg dragen voor elkaar. Ik zie dat jij het moeilijk hebt, ik ben er voor jou.
Wat doet dit met het kind dat zo hard zijn best doet?
Een kind dat zich anders buitengesloten voelt, kan opeens ervaren:
- “Ze begrijpen waarom ik soms weg stap.”
- “Ze zien dat ik mijn best doe.”
- “Ik hoor erbij, zelfs als het moeilijk wordt.”
Een sociogram toont waar een groep vandaag staat.
Maar het bepaalt niet waar de groep morgen kan eindigen.
Met kleine, bewuste stapjes kan een juf of meester een dynamiek maken waarin kinderen:
- meer zien,
- meer begrijpen,
- meer dragen,
- en elkaar meer gunnen.
En daar begint echte schoolveiligheid.
( Op Instragam en Facebook maakte ik ook een post hierover: zeker de moeite om ook eens te lezen.)



